lab kinderkanker

Vruchtbaarheid, eicelvoorraad en vervroegde overgang

Onderzoek naar de vruchtbaarheid, eicelvoorraad en vervroegde overgang bij vrouwelijke overlevenden van kinderkanker

Introductie 
De vruchtbaarheid van vrouwen die op de kinderleeftijd behandeld zijn voor kanker kan door de behandeling aanzienlijk zijn verminderd. De mate waarin de vruchtbaarheid is verminderd en welke behandelingen het grootste risico op schade met zich meebrengen, is echter nog onduidelijk. Doel van dit landelijke vruchtbaarheid, eicelvoorraad en vervroegde overgang (VEVO-) onderzoek is om de vruchtbaarheid, de functie van de eierstokken, de eicelvoorraad, het risico op een vervroegde overgang, de functie van de baarmoeder en zwangerschapsuitkomsten van vrouwen die op kinderleeftijd kanker hebben gehad te evalueren. Ook wordt er gekeken naar de effecten van verschillende soorten behandelingen (zoals chemotherapie, radiotherapie en operaties maar ook verschillende soorten chemotherapie of locaties van radiotherapie) op het ontstaan van vruchtbaarheids‐gerelateerde schade en de rol die de leeftijd ten tijde van de diagnose hierin speelt. Dit wordt gedaan met behulp van een vragenlijst, het meten van hormonen in het bloed en het maken van een inwendige echo van de eierstokken. Het uiteindelijke doel is om vrouwen beter te kunnen voorlichten. Immers, als blijkt dat zij het risico lopen vroeg in de overgang te komen, kan hen aangeraden worden om het krijgen van kinderen, mits er een kinderwens is, niet te lang voor zich uit te schuiven. Het onderzoek wordt gecoördineerd door het VU medisch centrum Amsterdam, maar alle Nederlandse kinderoncologische- en stamceltransplantatiecentra doen mee. 


Stand van zaken 
Inmiddels zijn 546 vrouwen uit 4 verschillende centra (VUmc, Emma Kinderziekenhuis/AMC, LUMC, UMCU) uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Aan alle uitgenodigde vrouwen is ook gevraagd of zij zussen hebben die als controlepersoon benaderd mogen worden voor deelname aan het VEVO-onderzoek. Immers, om uitspraken te kunnen doen over het effect van de behandeling van kinderkanker op de vruchtbaarheid moet je de vrouwen die op de kinderleeftijd kanker hebben gehad kunnen vergelijken met vrouwen die geen behandeling voor kanker hebben gehad. In dit geval zijn zussen de beste controles. 

Tot nu toe is er van ruim 84% procent van de benaderde vrouwen een reactie ontvangen. Dat is een prachtig percentage wat nog verder kan stijgen in de loop van de tijd. Ruim 80% van de vrouwen die gereageerd heeft doet aan één of meer onderdelen van het onderzoek mee: 25% heeft alleen de vragenlijst ingevuld terwijl 56% naast de vragenlijst ook aan het ziekenhuisgedeelte van het onderzoek (bloed en/of inwendige echo van de eierstokken) mee doet. Tot nu toe zijn er 171 zussen aangeschreven om als controle aan het onderzoek deel te nemen. Ruim driekwart heeft al een reactie gegeven. Hiervan wil 90% aan één of meerdere onderdelen van het onderzoek mee werken. Metingen van zowel vrouwelijke overlevenden als controles gaan onverminderd verder. Het VEVO-onderzoek heeft een eigen website (www.vevo-onderzoek.nl), waarop nieuws en achtergronden betreffende het onderzoek worden geplaatst. 
Patiënten uit het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen en het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam zullen naar verwachting begin volgend jaar uitgenodigd worden voor het VEVO-onderzoek. Op dit moment worden hiervoor de voorbereidingen getroffen.

Conclusie
Voor dit onderzoek zijn 1418 vrouwelijke overlevenden van kinderkanker die in Nederland behandeld zijn tussen 1960 en 2002, en die inmiddels ouder zijn dan 18 jaar, uitgenodigd om deel te nemen. Het onderzoek bestond uit 2 delen: een vragenlijst‐deel en een ziekenhuis‐deel. Het ziekenhuis‐deel was onderverdeeld in een bloed‐onderzoek waarin de waardes van enkele hormonen zijn bepaald (o.a. FSH, AMH en inhibine B) en een echoscopisch onderzoek van de baarmoeder en eierstokken (o.a. om het aantal eiblaasjes, antrale follikels, in de eierstokken te tellen). Naast vrouwelijke overlevenden van kinderkanker zijn ook controles gevraagd om mee te doen met het VEVO‐onderzoek. Deze groep bestond uit zussen van de vrouwelijke overlevenden en vrouwen uit de algemene bevolking (n=1687). Van de 1418 overlevenden heeft 83% gereageerd op de uitnodiging voor het onderzoek (dit zijn zowel vrouwen die deelnemen als vrouwen die afzien van deelname); bij de controles lag dit percentage op 80%.

Uiteindelijk hebben 920 vrouwelijke overlevenden (65%) en 800 controles (47%) deelgenomen aan het onderzoek. Uit de eerste resultaten van het onderzoek blijkt dat vrouwelijke overlevenden meer risico lopen om op latere leeftijd problemen te ondervinden ten aanzien van hun vruchtbaarheid dan controles. Zo hebben overlevenden vaker verhoogde FSH‐waardes en is het gemiddelde aantal eiblaasjes in de eierstokken ook significant lager. Dit duidt op een verminderde functie van de eierstokken. Voor wat betreft het type behandeling lijken vrouwen die in het verleden behandeld zijn met alkylerende middelen, antimitotica, of antitumor‐antibiotica het grootste risico te lopen op een verminderde eicelvoorraad. De resultaten van de vragenlijst tonen verder aan dat overlevenden vaker een onregelmatige menstruele cyclus hebben of helemaal geen cyclus hebben. Ook blijkt het percentage vrouwen dat nog maagd is groter te zijn in de groep van overlevenden dan in de controlegroep, terwijl het percentage vrouwen dat ooit zwanger is geweest lager is in de overlevenden‐groep. Tenslotte blijken de vrouwelijke overlevenden vaker medicijnen tegen overgangsklachten te gebruiken dan de controles.

In de komende maanden zullen de verzamelde data nader geanalyseerd worden. Zo zal bijvoorbeeld verder onderzocht worden wat het effect is van verschillende doseringen van radiotherapie en chemotherapie op de vruchtbaarheid. Ook zal gekeken worden op welke manier de leeftijd ten tijde van de behandeling hier een rol in speelt. Verder zal de relatie tussen de vroegere behandeling en functie van de baarmoeder en het optreden van problemen tijdens de zwangerschap geëvalueerd worden. Tot slot zullen de waardes van de hormonale markers inhibine B en AMH nog bepaald worden en gerelateerd worden aan behandelingsgegevens.

Met de nieuwe kennis die het VEVO‐onderzoek oplevert kunnen artsen vrouwelijke overlevenden van kinderkanker beter voorlichten. Als bijvoorbeeld blijkt dat een vrouw risico loopt om vroeg in de overgang te komen, dan kan haar geadviseerd worden om het krijgen van kinderen, mits er een kinderwens is, niet te lang uit te stellen. Echter, naast de vrouwelijke overlevenden hebben ook meisjes of jonge vrouwen die op het punt staan om met hun kankerbehandeling te starten, baat bij de resultaten van dit onderzoek. Meisjes of jonge vrouwen die een hoog risico lopen op een verminderde vruchtbaarheid en/of een vervroegde overgang, kunnen vruchtbaarheidssparende behandelingen worden aangeboden, zoals hormoontherapie, bepaalde operaties of het invriezen van embryo’s, eicellen of eierstokweefsel. Dit alles met het doel om de kwaliteit van leven van deze groep vrouwen te behouden of te verbeteren.

Onderzoeksnummer: 20
Centrum: VU medisch centrum Amsterdam
Startjaar: 2008
Looptijd: 4 jaar 
Totale kosten/bijdrage KiKa: € 517.366

Steun KiKa

Elke week krijgen 10 kinderen kanker.
25% redt het niet.

Doneer

Meer over dit onderwerp
Uitgezaaide kinderkanker

Behandeling uitgezaaide kinderkanker

Modernste technieken voor het in beeld brengen en bestralen van uitgezaaide kanker

Lees verder
Psychosociale late effecten

Psychosociale late effecten

Psychosociaal functioneren van volwassen survivors van kinderkanker

Lees verder
lab onderzoek kinderkanker

Erfelijke kinderkanker identificeren

Wat is de beste methode om kinderen met een erfelijke vorm van kinderkanker te identificeren?

Lees verder
Erfelijke oorzaak

Erfelijke oorzaak kinderkanker

Herkennen van alle kinderen met een erfelijke vorm van kinderkanker

Lees verder

Steun KiKa

De strijd tegen kinderkanker winnen we alleen als we het samen doen. Word donateur of steun ons éénmalig.

Doneren