Onderzoek 86

Voortgang onderzoek 86

Een behandeling met chemotherapie kan leiden tot onvruchtbaarheid. Onderzoek 86 verloopt succesvol en brengt ons een stap dichterbij het behoud van vruchtbaarheid van jongens met kanker.

 

 

Onderzoek naar het herstellen van vruchtbaarheid van overlevenden van kinderkanker; transplantatie van voorloper zaadcellen in de mens

Een van de bijwerkingen van chemotherapie is onvruchtbaarheid die ontstaat doordat de chemotherapie niet alleen effectief de kankercellen heeft gedood, maar ook de spermatogoniale stamcellen. Dit zijn cellen die zich kunnen ontwikkelen tot zaadcellen en worden ook wel voorlopercellen van de zaadcellen genoemd. Omdat er bij prepuberale jongens nog geen zaadcellen worden ingevroren kan de behandeling met chemotherapie bij deze jongens tot onvruchtbaarheid leiden. Voor deze onvruchtbaarheid bestaat nog geen behandeling. Een mogelijke oplossing voor deze jongens is het nemen van een klein zaadbalbiopt voorafgaand aan de chemotherapie, het in kweek vermeerderen van de voorlopercellen uit dit biopt en vervolgens autotransplantatie voor deze voorlopercellen (zie figuur). In diermodellen is aangetoond dat hiermee vruchtbaarheid hersteld kan worden.

 

plaatje 86                  

 

Een paar jaar geleden is er met financiering van KiKa en de onderzoekers onder leiding van Dr. Ans van Pelt en Prof. Sjoerd Repping gestart met het vertalen van deze techniek naar de mens (Onderzoek 10). Dit onderzoek bleek zeer succesvol. Voor het eerst konden voorlopercellen van volwassen mannen in kweek worden vermeerderd. In dit onderzoeksproject zullen de volgende en laatste stappen worden gezet om deze techniek klaar te maken voor toepassing in de mens. Het vermenigvuldigen van voorlopercellen is herhaald met testis biopt van prepuberale jongens. Omdat deze testis nog niet volledig uitontwikkeld is zou de vermeerdering van voorlopercellen in kweek anders kunnen verlopen. De resultaten uit deze studie laten zien dat voorlopercellen uit de prepuberale testis zich hetzelfde gedragen als uit volwassen testis. In de andere vervolgstappen zal er onderzocht worden of de invriesmethode nog verder kan worden geoptimaliseerd en of voorlopercellen in kweek genetisch stabiel zijn. Voor beide studies zijn er testiculaire cellen gekweekt voor verdere analyse. Ook zal er in een muizen studie onderzocht worden of er mogelijk verhoogde kanker risico’s zijn voor de getransplanteerde man en wat eventuele effecten kunnen zijn voor nakomelingen geboren uit zaad van getransplanteerde voorlopercellen. Voor deze studie is er gestart met het kweken van testiculaire cellen van prepuberale muizen, voor latere transplantaties.

Dankzij steeds verbeterende behandelingstechnieken is de lange-termijn overleving van kinderen met kanker indrukwekkend toegenomen. Tegelijk met die groeiende overlevingscijfers zien we echter ook meer tumor- en behandeling gerelateerde late effecten.
In dit onderzoek naar late effecten na hersenbestraling werden de late effecten die voorkwamen in overlevenden die op de hersenen bestraald werden vergeleken met late effecten in overlevenden die geen hersenbestraling ontvingen. In de groep die hersenbestraling kreeg, kwamen niet alleen méér late effecten voor, maar waren de effecten ook vaker ernstiger.
Tevens is de relatie tussen de bestralingsdosis en de late effecten onderzocht. Omdat bestralingsschema’s in de loop der jaren veranderd zijn is de werkelijk gegeven dosis omgerekend naar een uniform vergelijkbare dosis. In overlevenden die behandeld waren voor een ander soort kanker dan een hersentumor leken de dosis-effect relaties duidelijker te zijn, dan in overlevenden die voor een hersentumor waren behandeld. Het is waarschijnlijk dat de late effecten in overlevenden van een hersentumor vooral gerelateerd zijn aan de tumor zelf.